menu

Latest Posts

  • Fidel’s hemel

    March 30, 2012 | Posted By: | Uncategorized |

    When I am flying from one country to another, my soul always travels more slow then my body does, a so called mystical jetlag.” 

    Alsof hij zo weer zou kunnen binnenlopen, in 1961. Zijn rumflessen met afbladderende etiketten nog halfvol, al zijn duizenden boeken stilletjes in de boekenkasten alsof ze wachten tot de meester thuiskomt. De banken en stoelen waarop hij gezeten heeft, zijn bureau, bed, badkamer, schoenen, opgezette dierenkoppen aan de muren. Alles ademt zijn geest, na al die jaren, bijna ongepast om te gluren in zijn privédomein. Hier sliep hij, rookte hij, dronk hij, vrijde hij, Ernest Hemingway, equivalent voor literatuur.  Hier op Cuba woonde een groot schrijver, punto. Alles is nog precies zoals hij het achterliet, voordat hij zelfmoord pleegde in 1961 in de Verenigde Staten. Zoveel moet hij van Cuba hebben gehouden, om zichzelf niet hier van het leven te beroven, maar zijn dierbare eiland te verlaten. Ernest Hemingway verpandde zijn hart aan Cuba, droeg zijn nobelprijs voor de literatuur op aan de Cubanen. Twintig jaar lang woonde de grootmeester, vrouwenverslinder en alcoholliefhebber op het eiland. Tegenwoordig is het huis met enorme tuin van Hemingway net buiten Havana, in het dorp San Fransisco de Paula, een museum.

    Het is vroeg in de ochtend in de koloniale hoofdstad, Havana en vanaf de balkons in de straat San Ignacio babbelen buren gemoedelijk met elkaar.  Over de intriges in de telenovelas, de immens populaire televisie soaps geproduceerd in Argentinië, Brazilië en Colombia. Dagelijks worden er maar liefst vijf uitgezonden. Overal op de wereld zouden de koloniale en kleurige huizen in Habana Vieja, het historische stadshart van Havana, miljoenen waard zijn. Hier niet. De afgebladderde verf van de pastelkleurige buitenmuren verraadt vergane glorie. Ruïnes zijn het bijna, maar nog steeds zo statig. Zoals je bij een mooie, oudere vrouw nog steeds kan zien hoe knap ze vroeger moet zijn geweest. Het is de trieste schoonheid van Cuba. Jongens met gespierde kuiten en brede schouders trappen ferm door de straten op hun bici taxi, de Cubaanse fietsriksja. Allemaal hebben ze de glimmende glans van zweet op hun donkere huid, door de inspanning en de felle middagzon. Van links naar rechts slingerend om de diepe kuilen in het wegdek te omzeilen. En dan de auto’s, de auto’s, geen stad op aarde heeft zo’n fantastische collectie old timers. Ik hoop nooit gewend te raken aan de museumwaardige, oude Amerikaanse auto’s, die puffend en steunend langsrijden of pronkend geparkeerd staan in de straten. De geur van Havana, el Habana, is niet de zilte zeelucht of de zware rook van moddervette sigaren, maar die van uitlaatgassen. Het stoort mij niet, het past hier. Cuba is niet zomaar een tropisch eiland in de Cariben, dit is Cuba. En natuurlijk met alle toeristen, sommige met stadskaart en T-shirts van eeuwige superster Che Guevara erop, of lopend achter een gids aan, op zoek naar de juiste plaza, terwijl ze dwars door het pure stadsleven van Havana lopen.

    Camilo begint een praatje als ik langs zijn huis loop. Hij blijkt vandaag jarig te zijn en biedt mij spontaan een cadeau aan. Of ik samen met hem de goden wil eren. ‘Si mamita, voor mijn verjaardag?’ Daar zit ik dan, in een keuken op mijn knieën voor een huisaltaar met potten en pannen omwikkeld met kleurige doeken. Met een sambabal in mijn hand schud ik op zijn aanwijzing richting de driehoekige pot links van ons. ‘Denk aan je moeder, je vader en dank hen’, predikt de Cubaanse man in zijn blote bast. Het is rond achten, de zon net onder, maar de avondlucht geeft nog geen verkoeling. Het huis is armoedig, kaal maar van extreme schoonheid en karakter. Het ruikt naar kokosolie en vers gebakken brood. Een foto van jezus, een extreem knappe versie van de Zoon, hangt eenzaam boven het fornuis. Ik schud de sambaballen nog acht keer, voor de overledenen die ik ken, voor álle doden, nog een keer mijn moeder, voor al mijn zonden. Al met al een vreemde ceremonie. Toch voelt het heel intiem, die grote man en ik biddend op onze knieën, allebei uit zo’n andere wereld. Dan is het tijd voor rum, ron, al is Camilo zo te ruiken al lang begonnen. In een plastic beker biedt hij mij het vloeibare Cubaanse goud aan. Puur, natuurlijk, want de beroemde mojito cocktail is alleen weggelegd voor de rijke, toeristen. Zijn zus is begonnen met het vegen van de mooie vloer en draait de volumeknop van de retroradio weer hoger. De vierkwartsmaat van salsa vult het huis. [Delen uit deze blog zijn gepubliceerd in tijdschrift ZIN, maart, 2012 - www.zin.nl] 

     

    “Song gently offered by Nicolás Farruggia under a Creative Commons License BY-NC-ND 
    More songs available at: www.NicoLatinidade.com

    + Read more…

    Make love, it is war

    January 22, 2012 | Posted By: | Uncategorized |

    Alleen als we er afstand van durven nemen, zien we het geheel. Pas dan weten we wat ons te doen staat, hier. [Uit: New York Times, Pico Iyer, A Clamor for an Unplugged Life]

    We wachten op de lift naar beneden. De gang is al een stuk warmer, ook al loeit de airco. De hitte piept binnen via onzichtbare kieren en door de kit van de dubbele ramen. Hij kijkt nog steeds zo anders dan alle mannen die ik ken, kwetsbaar wild. Dat zie ik in hem, maar dat zegt meer over mij, dat besef ik ter degen. Mijn ogen waren vannacht in de Breakfast Club na uren nog steeds niet gewend aan de vale Chesterfield schemering, maar Guy floreert ook bij daglicht, zie ik nu. Ik heb een bittere smaak in mijn mond, die van een kapotgebeten aspirientje. De hotellift stopt op zaterdag, shabat, bij elke verdieping zodat orthodoxen niet op het liftknopje hoeven drukken, geen elektra aanraken, maar wel met de lift mee kunnen. Ik vraag mij hardop af of het niet religieuzer is om lekker met de trap te gaan. Guy kijkt oprecht gekwetst. ‘Of ik Joods ben?’ vraagt hij. Ik antwoord niet, zeg dat het een racistische vraag is. Hij vindt het prima.

    Zijn accent is stroperig, alsof het zijn stembanden moeite kost om Engels te spreken. Hij spreekt niet met de toon van overleg. Ik ben hier voor mijn werk, verhalen schrijven, maar waar is mijn fotograaf gebleven? Mijn telefoon ben ik kwijt geraakt gisteravond. Daarin had ik ook het hotelkamernummer van de Nederlandse fotograaf opgeslagen. Eigenlijk een godverdomde zegening, want ik heb geen zin om met z`n drieën te ontbijten. Vanavond zullen we Italiaans eten bij restaurant Bellini, met een pr-man van het Ministerie van Toerisme, die meer zal opscheppen over zijn staat van dienst dan op zijn bord terecht zal komen.

    Nauwe straatjes slingeren langs oude, kleine kleurige volkshuisjes in groen, zachtroze, geel en babyblauw. In de langgerekte hoofdstraat Shabazi zitten kleine boetiekjes met eigen labels, koffiebarretjes, een chocolade-café en een Marokkaanse keramiekwinkel. Guy heeft zijn hoed weer op, een bolhoed zoals Boliviaanse vrouwen ook op hun hoofd balanceren. Wij gaan zitten aan het enige lege tafeltje op het terras van café Susana. Niemand vermijdt oogcontact, geen stiekem loer-gedoe. Er wordt gekeken, geoordeeld met hormonen. Een massale orgie zonder fysiek lichaam. Ik moet denken aan schaamharen als voelsprieten, maar fokking hell, waarom? Wie verzint er nou zo iets?

    Aantrekkelijke jonge soldaten met mitrailleur, slenterende pas, lopen langs het terras, alsof ze nergens aan hopen te komen. Niemand kijkt naar ze, gewenning maakt blind, zelfs in staat van oorlog. Afgezakte rugzak, opgetrokken veters in legerkisten, broek erin, wapens laks op hun rug.  Ik vind het opwindend, maar het maakt mij tegelijkertijd moederlijk weemoedig. Make love, it`s war, zo moet dat er uitzien, zoals hier op dit terras. Welkom in mijn bubbel, een wereld die niet echt bestaat omdat deze er gisteren immers ook niet was.

     Wordt vervolgd.

     

     

     

     

    + Read more…

    Zondige stad

    January 8, 2012 | Posted By: | Uncategorized |

    Nooit hoor ik over een sportman die zijn reuk kwijtraakt in een tragisch ongeluk. Dat heeft een goede reden:  de lessen des levens openen onze ogen pas als ze vlijmscherp de zenuw raken. Daarom moet de sportman zijn benen verliezen, de filosoof zijn geest, de kunstenaar zijn ogen, de muzikant zijn oren en de chef-kok zijn tong. Mijn les? Ik zou mijn vrijheid verliezen. [Uit: Fraction of the whole, Steven Tolz]

    Witte bloemen in een glazen vaas. Geen dure vaas, een gewone. Een kopje koffie van gisteravond staat op een schoteltje, het lepeltje afgedankt op het tafeltje. De krant ligt naast de vaas. Ik zie alleen de pagina die kopt: Economy. Een foto van berenoren eronder, het onderschrift kan ik niet lezen. Ik vraag mij even af wat de oren van een beer in een economiekatern doen. Even maar, een fractie, want ik buig mij niet naar de tafel om de krant te pakken. Een zwarte bolhoed ligt naast het bed op de grond. En een uitgetrapte spijkerbroek alsof de eigenaar plots is verdwenen. De gordijnen zijn open, vannacht vergeten dicht te trekken. Zijn de bloemen nep of echt? Ik zou mijn nagels met kracht in een wit bloemblaadje willen zetten maar ik beweeg niet. De stroperige lucht van moeten neemt gekke vormen aan en ik verzet me tegen elke vorm van innerlijke bezetting. Ik wil dat het windstil is. Buiten moet het ondertussen alweer bloedheet zijn, de damp slaat van de wit vale stad af, aan de andere kant van het raam. Vanaf deze hoogte zie ik dat de stad overwegend licht gekleurde gebouwen heeft. Niet wit als sneeuw, maar verschoten, zoals oude gebouwen eruit zien die in een ver verleden smetteloos wit werden geverfd. Weeïg moet de verhitte stad zich voelen, de ochtend na de nacht. Het is een vreemde gewaarwording maar de nacht brengt de stad niet tot kalmte. Het is hier moraal-vrij, of in ieder geval, ik ben hier zonder enig moraal. Er wordt ook vandaag niet gesproken over het weer, dat doen alleen mensen die regen gewend zijn. Zijn ene oorbel, zwarte slierten haar, hand onder zijn hoofd, geknoopt touwtje om zijn pols. Een donkere baardzweem drukt onder zijn huid kan nooit echt gladgeschoren worden, als onuitwisbare mannelijkheid. Natuurlijk, zijn hoed en zijn broek. Hij lijkt op een Arabier, een slapende. Terwijl hij gisternacht meer op een tangodanser leek, Spaans donker met ogen net treurig genoeg om  Argentijn te kunnen zijn. Hij verraadt mijn smaak voor de tijdelijke liefde. Guy doet mij aan niemand denken. Hij is de eerste. Na hem zullen mannen komen die ik op hem vind lijken, zijn gedrag, blik, toon, alles. Maar voor nu is hij de eerste.

    Wordt vervolgd.

     

     

    + Read more…
/