Make love, it is war
Alleen als we er afstand van durven nemen, zien we het geheel. Pas dan weten we wat ons te doen staat, hier. [Uit: New York Times, Pico Iyer, A Clamor for an Unplugged Life]
We wachten op de lift naar beneden. De gang is al een stuk warmer, ook al loeit de airco. De hitte piept binnen via onzichtbare kieren en door de kit van de dubbele ramen. Hij kijkt nog steeds zo anders dan alle mannen die ik ken, kwetsbaar wild. Dat zie ik in hem, maar dat zegt meer over mij, dat besef ik ter degen. Mijn ogen waren vannacht in de Breakfast Club na uren nog steeds niet gewend aan de vale Chesterfield schemering, maar Guy floreert ook bij daglicht, zie ik nu. Ik heb een bittere smaak in mijn mond, die van een kapotgebeten aspirientje. De hotellift stopt op zaterdag, shabat, bij elke verdieping zodat orthodoxen niet op het liftknopje hoeven drukken, geen elektra aanraken, maar wel met de lift mee kunnen. Ik vraag mij hardop af of het niet religieuzer is om lekker met de trap te gaan. Guy kijkt oprecht gekwetst. ‘Of ik Joods ben?’ vraagt hij. Ik antwoord niet, zeg dat het een racistische vraag is. Hij vindt het prima.
Zijn accent is stroperig, alsof het zijn stembanden moeite kost om Engels te spreken. Hij spreekt niet met de toon van overleg. Ik ben hier voor mijn werk, verhalen schrijven, maar waar is mijn fotograaf gebleven? Mijn telefoon ben ik kwijt geraakt gisteravond. Daarin had ik ook het hotelkamernummer van de Nederlandse fotograaf opgeslagen. Eigenlijk een godverdomde zegening, want ik heb geen zin om met z`n drieën te ontbijten. Vanavond zullen we Italiaans eten bij restaurant Bellini, met een pr-man van het Ministerie van Toerisme, die meer zal opscheppen over zijn staat van dienst dan op zijn bord terecht zal komen.
Nauwe straatjes slingeren langs oude, kleine kleurige volkshuisjes in groen, zachtroze, geel en babyblauw. In de langgerekte hoofdstraat Shabazi zitten kleine boetiekjes met eigen labels, koffiebarretjes, een chocolade-café en een Marokkaanse keramiekwinkel. Guy heeft zijn hoed weer op, een bolhoed zoals Boliviaanse vrouwen ook op hun hoofd balanceren. Wij gaan zitten aan het enige lege tafeltje op het terras van café Susana. Niemand vermijdt oogcontact, geen stiekem loer-gedoe. Er wordt gekeken, geoordeeld met hormonen. Een massale orgie zonder fysiek lichaam. Ik moet denken aan schaamharen als voelsprieten, maar fokking hell, waarom? Wie verzint er nou zo iets?
Aantrekkelijke jonge soldaten met mitrailleur, slenterende pas, lopen langs het terras, alsof ze nergens aan hopen te komen. Niemand kijkt naar ze, gewenning maakt blind, zelfs in staat van oorlog. Afgezakte rugzak, opgetrokken veters in legerkisten, broek erin, wapens laks op hun rug. Ik vind het opwindend, maar het maakt mij tegelijkertijd moederlijk weemoedig. Make love, it`s war, zo moet dat er uitzien, zoals hier op dit terras. Welkom in mijn bubbel, een wereld die niet echt bestaat omdat deze er gisteren immers ook niet was.
Wordt vervolgd.
+ Read more…

